Alleenstaande moeder Shu-Fen keert met haar twee dochters van het platteland terug naar Taipei. Daar probeert ze aan de kost te komen met een eetkraampje op een drukke avondmarkt. Daarnaast heeft ze nog andere hoofdbrekens: puin ruimen na haar scheiding, haar oudste dochter I-Ann die op eigen benen wil staan maar het fout aanpakt en I-Jing, die linkshandig is.
Haar traditionele grootvader dringt haar op dat ze de linkerhand niet meer mag gebruiken omdat dat haar ‘duivelshand’ is. De vijfjarige neemt dat bijgeloof voor waar aan en denkt dus dat ze niet verantwoordelijk is voor wat die linkerhand uitspookt. Dat zal niet zonder gevolgen blijven...
Tsou wil ons laten kijken met de blik van I-Jing, die de wereld ziet als een magische plek vol kleur. Ze schetst haar karakters met mildheid en bewijst dat een sociaal drama over overleven in het hectische Taipei, over de botsing tussen oude tradities en nieuwe dromen, over verborgen familiegeheimen, ook lichtvoetig en visueel betoverend kan zijn.