Werner toont schilderijen en assemblages uit de jaren ’80, waarin een overgang plaatsvindt van figuratie naar abstractie.
Aanvankelijk was de natuur de voornaamste inspiratiebron, maar gaandeweg ontstond een persoonlijke, non-figuratieve beeldtaal.
Landschappen en figuren lossen op in vormen die zweven tussen herkenning en mysterie. Het schilderen zelf wordt een natuurlijke handeling, een zoektocht voorbij het zichtbare. Wat resteert is een poëtische abstractie die het alledaagse overstijgt.
Elk werk onthult een gelaagde interpretatie van het verleden, als een herinnering die langzaam transformeert tot iets nieuws en tijdloos.